Bezint eer ge begint

 


“In veel spreekwoorden en gezegden zitten waarheden verpakt…”, begon ik de eerste filosofieles van het nieuwe jaar. Een speciale les, want dit keer mochten de ouders ook mee doen. En dat was niet voor niets. Vlak voor de kerst had ik een workshop creatief schrijven gevolgd bij het Centrum voor Kinderfilosofie, onder leiding van schrijfster en docente Heidi Koren. Zij had filosofie gekoppeld aan voornemens voor het nieuwe jaar. En dat verpakt in een creatieve schrijfopdracht: gedichten maken. Dat leek ons ook wel wat.

Het begin van een boek

“Wat is volgens jou het begin?” Voor ons lag de dichtbundel “Betrap me” van Edward van de Vendel. Alle ouders en kinderen waren inmiddels gaan zitten. En gekoppeld aan een ander kind dan die van zichzelf. “Nou simpel, de voorkant, want daar staat alles op: waar het over gaat, de titel, de tekening, de uitgeverij, Dat is gewoon het begin.” Het gesprek kwam op gang. “Voor mij is het begin in het boek, bij het eerste gedicht, dan begint het pas echt.” En zo was er ook iemand die  het begin aan de achterkant van het boek vond: “Ja, als ik in de winkel ben, lees ik altijd eerst de flaptekst. Dan weet ik of ik er aan wil beginnen.” “Voor mij is het begin na een paar hoofdstukken, als ik er lekker in begin te komen.” En dan was er ook nog iemand die altijd begon aan het einde van het boek: “Dan weet ik ten minste hoe het afloopt”. We ontdekten dat een begin dus geen vaststaand gegeven was, en dat je daar meestal helemaal niet over na denkt.

Het begin van het jaar

Maar wat was het begin van het jaar? “Simpel, 1 januari…” En ik vertelde dat ik soms op 1 januari het jaar alvast overdacht: waar zou ik aan beginnen, welke goede voornemens zou ik meenemen?  De  kinderen en ouders gingen samen aan de slag om een lijst met goede voornemens te maken: meer naar buiten, beter luisteren naar elkaar, genieten van muziek, meer tijd maken voor jezelf, minder met mijn broer klieren, minder me laten opjutten door anderen, vaker zeggen wat ik denk, vaker hulp vragen, vaker koken, meer mijn ideeën uitvoeren. Er ontstonden mooie gesprekken. Waarschijnlijk ook juist omdat ieder kind was gekoppeld aan een andere ouder dan die van zichzelf.

“Moet het ook rijmen?”

Na het gedicht “Op reis” van Edward van de Vendel, werd het tijd om zelf te gaan dichten. “Moet dat?”, vroeg er iemand. “Ja!”, antwoordde ik. Ik merkte dat hij er een beetje tegen op zag om een gedicht te maken. “Moet het ook rijmen?”, vroeg een ander. En ik vertelde ze dat ik een eenvoudige formule had om een gedicht te maken. Een soort stappenplan. Wie dat wilde, kon dat volgen, maar het was niet verplicht. Uiteindelijk gingen ze met “hun” ouder aan de slag. Het werd steeds rustiger, de concentratie was voelbaar. Na afloop werden de gedichten voorgedragen, waarvan hierbij een voorbeeld:

 

2026: Buiten spelen

De zon schijnt mooi op het groene gras

Je hoort de vogels in de bomen fluiten

Er is sneeuw voorspeld

Dan gaan we sneeuwpoppen maken en sneeuwballen rollen

Och… ik hoop maar dat de voorspelling klopt

Leuk met iedereen buiten spelen.

 

Na ieder gedicht werd er geapplaudisseerd. De gedichten waren dan ook zo passend en herkenbaar. 

“Ik las laatst de volgende zin”, beëindigde ik de les. “Kon ik maar dichten, dan zou ik dichter bij je zijn.” Dit was wat er gebeurde deze avond: we waren dichter bij elkaar gekomen. En daarna… gingen we buiten sneeuwballen gooien.

 

Met dank aan

De kinderen en ouders van filosofieclub Waterland

 

Meer informatie

Centrum voor Kinderfilosofie Nederland

Auteur en docente Heidi Koren

Reacties

Populaire posts van deze blog

Google, wat is een tijdkrabber?

Scheten laat je niet aan tafel